Reacties zijn uitgeschakeld voor dit bericht

Herschepping

Op de zesde dag schiep God de mens.
En de mens begon haastig te leven, want hij dacht:
ik heb hooguit honderd jaar de tijd
om te vinden en te zien.
En hij keek wel uit voor een ander, want hij vreesde:
die ligt me in de kortste keren vóór.
En hij dacht maar weinig na, de mens, want hij meende:
ik moet vooruit, de breedte af, de hoogte in.

Uit andermans dood bakte hij brood om tijd te winnen
en zijn devies werd: komen, zien en heersen.

En de mens draaide zich een rad voor de ogen.
Dat schoof hij onder de tijd en noemde het “vooruitgang”.
Toen legde hij zich vleugels aan, hij raasde door de lucht
en noemde het “welvaart”, “verheffing van de mens”
Tenslotte zag hij geen kans meer om nog tijd te winnen
en uitgehold en moe gevlucht ging hij zitten
en noodgedwongen dacht hij na.

Toen keerde hij terug naar de plaats waar hij gemaakt was,
de aarde en hij huilde om eeuwen voorbij en kinderen verloren.
Daarna stond hij op, de mens, en ging naar een andere mens,
naar velen en zei: “Zullen we toch maar samen.
We leven maar kort, maar hebben een zee van tijd.”

Jan van Opbergen

Reacties zijn gesloten.