Noach – gedicht

Rikkert Zuiderveld
Gedicht
Noach

[I]

Dit is het moeilijkst: ziende blind te blijven,
horende doof voor al het stom gezeik
van schamperaars die bol staan van gelijk
en arme timmerlui tot wanhoop drijven.

Het was die vreemde stem, toch zo vertrouwd,
die mij in dit ontaarde hout doet zagen.
Ik zwijg terug. De rugpijn zal ik dragen,
het lot van wie aan dromenboten bouwt.

Zij slaan elkaar de gore hersens in,
totdat de hemel naar beneden dondert
en ze verzuipen, niemand uitgezonderd.

Ik neem het hout weer op, bijt op mijn tanden.
Straks word ik oud met de herinnering
van die vervloekte splinters in mijn handen.

[II]

Makkelijk zat: je schuift een venster open
en laat een duif uit. Tot haar ranke lijf
terugkeert met de tak van een olijf
en vredig op je schouder zit gekropen.

Was het maar zo. Er is geen nieuw begin
voor wie niet sterft of alles heeft verloren.
Hand aan de ploeg! Weer trek ik zware voren
en zaai de pasgewassen aarde in

met gierst en tarwe, munt en majoraan,
met appelbomen, duizendblad, papavers.
Beschroomd laat ik mijn zoons en dochters gaan,

zij vliegen uit als duiven. Die misschien
geen weet hebben van velden vol kadavers
en nergens dood of oorlog zullen zien.

Reacties zijn gesloten.